A.G. van Tol en METROPOLE PALACE / METROPOLE TUSCHINSKI

De portier lijkt er in 1957 wat verloren bij te staan. Misschien was hij te jong om de vorige eigenaar nog meegemaakt te hebben? In ieder geval zou mijnheer Van Tol het nooit geaccepteerd hebben dat zijn geüniformeerde portiers hun diensten zonder pet draaiden. In 1949 besloot de legendarische eigenaar van Metropole Palace (annex voormalig bloemenkoopman/auto-importeur/sportvlieger/huisjesmelker) A.G. van Tol (geboren 24 februari 1896 te Alphen a/d Rijn) zijn filmpaleis aan het Tuschinskiconcern te verkopen voor het forse bedrag van 1,2 miljoen gulden.

De opening van Metropole Tuschinski vond plaats op 30 juni 1950 met de première van La beauté du diable van René Clair in het kader van de Week der Franse Film. Zoals men vroeger van Metropole Palace gewend was, waren ook op deze gala-avond vele notabelen aanwezig. Mr. Blom, lid van de Raad van Beheer van de maatschappij Tuschinski, sprak de volgende woorden tot de genodigden:
“Het behoort tot onze voortdurende zorg het wekelijkse programma voor de bioscopen samen te stellen. Bij de keuze van de film moet daarbij het zakelijk argument, en dit weer gebaseerd op de smaak en de eisen van het grote publiek, veelal de doorslag geven. Het strekt daarom tot voldoening, als althans voor één theater in de grote stad een ruimere armslag verkregen wordt, in dien zin, dat ook andere maatstaven een grote rol bij de keuze kunnen spelen. Dat wil zeggen, dat films met grote artistieke en documentaire betekenis een goede kans krijgen. Het Metropole Theater heeft door het comfort, dat het de bezoekers biedt, een niet onverdiende renommée verkregen. In deze omgeving te brengen Tuschinski-programma’s met de uitstekende film zal, naar wij mogen hopen, de renommée in goede zin verhogen. [.] Wie Metropole Tuschinski zegt, meent: in een ideale omgeving de exclusieve film genieten.”

Het laatste zinsdeel uit deze bloemrijke toespraak ging zeker op voor de feestelijke première-avond. Weliswaar was La beauté du diable een komedie, maar het ging wel om een typisch high brow onderwerp: de geschiedenis van doctor Faust die zijn ziel aan Mephistofeles verpacht in ruil voor jeugd, rijkdom en aanzien. René Clair stond garant voor verantwoord vermaak. Al in de jaren ‘20 maakte hij internationaal naam met avant-gardistische films, zoals de dadaïstische kortfilm Entr’acte. Nadat hij een hele serie succesvolle speelfilms had gemaakt in Amerika en Frankrijk, werd hij in 1960 gekozen als lid van de Académie française, waarmee hij de allereerste cineast was die tot dit illustere gezelschap van literatoren mocht toetreden. Even geïmponeerd moet de gewone filmliefhebber zich gevoeld hebben wanneer hij een voet over de drempel van Metropole zette.

Een locatie in patricische rust

Zo had Aad (geboren Adrianus Gijsbertus) van Tol het voor zijn geestesoog gezien, toen hij in 1935 het plan opvatte om een filmpaleis te bouwen. Naast zijn andere zakelijke bezigheden was hij al actief in de filmbranche als eigenaar van Alhambra, een bioscoop in de Boekhorststraat, en Studio Theater in de Kettingstraat. In 1934 had hij een lot in de Staatsloterij gekocht… en de hoofdprijs van 100.000 gulden gewonnen. Het verhaal deed zelfs de ronde dat hij zijn winst deels investeerde in nieuwe loten… en wederom de topprijs binnenhaalde. Nogal onwaarschijnlijk, maar met zijn onverwachte startkapitaal wilde hij de mooiste bioscoop van Den Haag bouwen. Als locatie koos hij de plek aan de Carnegielaan waar het Muziekmuseum Scheurleer, het vroegere woonhuis van bankdirecteur en musicoloog dr. D.F. Scheurleer, stond. Het was vlak bij de belangrijkste verkeersader van Den Haag, de Laan van Meerdervoort, maar toch “in de patricische rust van het schone Zorgvliet”. Zijn project bleek niet eenvoudig te realiseren. Bij de noodzakelijke sloop- en bouwvergunningen kreeg hij te maken met diverse problemen die de gemeente opwierp. Bovendien kwam hij in aanvaring met het Vestigingsbesluit van de Nederlandse Bioscoopbond, dat de bouw van nieuwe bioscopen wilde beperken. Maar van Tol was zeer vastberaden: op 15 oktober 1936 kon zijn Metropole Palace, naar een ontwerp van J.L.J. van der Hoek, geopend worden.

“Gij zult zitten in een paleis”

Metropole Palace was met recht een aanwinst onder de Haagse bioscopen. Ook Van Tol zelf schreef dit in zijn programmaboekje: “Want onze programma’s zullen geschikt zijn voor een metropool – en gij zult zitten in een paleis.” Er was een grote schelpvormige theaterzaal met een ruim, overhangend balkon, een toneel, een cabine die was uitgerust met geavanceerde apparatuur van de Zeiss-Ikon-Fabrieken, een trappenhuis met daaronder een vijver waarin echte vissen zwommen en een fontein spoot, een foyer en een buitenterras, meerdere kassa’s, kleedkamers en ateliers, en natuurlijk een kluis om de uiterst brandbare nitraatfilmrollen op te slaan. Tot de inventaris behoorde verder een Tolinar-kleurenspelapparaat, “dat kleurenwonderen als draaiende sterren, wolken, gouden regen en dergelijks moois op het doek projecteert.” In de zaal was voldoende plaats voor 1600 normale stoelen, maar er werd bewust gekozen voor 1250 luxe stoelen, gefabriceerd door Thijsseling uit Nijkerk. Goud, oranje en groen waren de overheersende kleuren. De stoelen hadden niet alleen vering in het zitgedeelte, maar ook in de armleuningen. De modernste technieken zorgden voor een goede luchtverversing. De ‘acoustiek’ was eveneens geweldig. Vanzelfsprekend eiste Van Tol dat de service optimaal gegarandeerd zou zijn: naast de technische staf werkten er ongeveer zestien personeelsleden als portier, caissière of ouvreuse.

Shows èn zaken
Van Tol opende zijn paleis middels een eerder op film opgenomen speech die tijdens de gala-avond op het immense scherm werd geprojecteerd, waarbij aan weerszijden van het doek twee herauten stonden opgesteld. Daarna verscheen Van Tol op het toneel om de felicitaties persoonlijk in ontvangst te nemen. Vervolgens kon het publiek genieten van de vergelijkbaar luxueuze sfeer in de kersverse dansfilm Top hat van Mark Sandrich, waarin het koppel Fred Astaire en Ginger Rogers op de meeslepende muziek van Irving Berlin allerlei misverstanden zwierig naar een ‘happy end’ voerde.

Met recht kon Van Tol een showman èn een zakenman genoemd worden. Bij bijzondere gelegenheden kon het publiek in een mondaine sfeer zittend aan tafeltjes naar een filmvertoning kijken. Er was een glazen dansvloer ingebouwd die met een druk op de knop verrees en de bioscoop in een nachtclub veranderde. Beroemde buitenlandse sterren als de Franse zangeres/actrice Mistinguett (met de mooie benen) en de Engelse komiek George Formby (met de ukelele) werden door Van Tol voor optredens in zijn showpaleis geëngageerd.

In zijn theater vonden de Haagse premières van de belangrijkste Europese topproducties plaats. Bij verschillende films bedacht hij spectaculaire reclamestunts. Zo liet hij eind jaren ’30 het Nederlandse winnaresje van een Shirley Temple-look-a-like wedstrijd in een imitatie Gouden Koets door de straten van Den Haag rijden. De meisjes die als ouvreuse werkten (of “gastvrouwen” zoals Van Tol hen noemde), moesten regelmatig naar de boulevard in Scheveningen of de Groenmarkt in het Haagse centrum om programma’s of bloemen uit te delen.

Oorlogsjaren

Vanaf augustus 1940 mochten alleen nog films vertoond worden die door de bezetter goedgekeurd waren. Directeur Van Tol weigerde Duitse producties te draaien en als uitweg uit voorspelbare problemen gebruikte hij zijn paleis dus voortaan uitsluitend als variététheater en dancing. In 1943 deed hij de exploitatie van de Princesseschouwburg, die sinds 1941 gesloten was, er nog een jaartje bij met vooral operette-achtige voorstellingen.

Vlak voor de bevrijding, op 27 april 1945, gingen alle Haagse bioscopen weer ‘back in business’. In de periode erna organiseerde Van Tol talrijke gala’s voor liefdadige doelen. Ook koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard gaven hierbij geregeld acte de présence. In 1946 bood hij tweeduizend Haagse kinderen een kerstfeest aan dat net zo geweldig was als het Sinterklaasfeest waarmee hij een paar weken eerder had uitgepakt.

Verkoop …
Nauwelijks een jaar na het groots gevierde 12½-jarig jubileum in april 1949, besloot Van Tol zijn paleis aan het Tuschinskiconcern te verkopen. Het gevolg was dat met ingang van 1 juli 1950 de naam Metropole Palace in Metropole Tuschinski veranderde. In de volksmond bleef het theater echter gewoon Metropole heten. Op de gevel stond tot in de jaren ’60 nog steeds prominent Metropole Palace te lezen, met daaronder – in iets grotere letters – Tuschinski. Na de verkoop stak Van Tol al zijn energie in een volgend bedrijf, de ‘luchtprojectieonderneming’ Airghost. Zijn zoon Adriaan jr. en James assisteerden hem. Met vier grote witte vrachtwagens trokken ze door Nederland en Europa om openluchtvoorstellingen te geven, bij gunstige weersomstandigheden voorafgegaan door een kleurenlichtspel op de wolken geprojecteerd. De toegang was meestal gratis, reclameuitingen zorgden voor de inkomsten. Vaak werd ook een goed doel gesponsord. Eind 1952 begon hij aan wéér een nieuw avontuur: hij werd de nieuwe eigenaar van het Casino aan het Gevers Deynootplein in Scheveningen dat hij de nieuwe naam Casino de Paris gaf. Zijn twee zoons werden bedrijfsleiders en het plan was om een klein Parijs in Scheveningen te creëren. Behalve de telefoons op de tafeltjes, waar het publiek nog niet direct aan gewend was, en een bijzonder lichtplan, bewegend toneel en draaiende dansvloeren, liet hij een nieuw projectiesysteem installeren voor filmvertoningen. Maar zijn plannen reikten verder: hij wilde ook televisie gaan maken. Op de 35 meter hoge miniatuur Eiffeltoren die hij op zijn terras aan het plein had staan, wilde hij een televisiezender plaatsen zodat hij shows en films uit zijn casino uit zou kunnen zenden tijdens de nachtelijke uren waarop Hilversum geen uitzendingen had. Philips zou de zender willen bouwen en de Haagse gemeenteraad zou toestemming hebben gegeven. Van Tol had in Engeland en Amerika al een honderdtal belangwekkende tv-films aangekocht met shows van Edith Piaf, Louis Armstrong en andere sterren. De Nederlandse Televisie Stichting gaf echter geen toestemming en Van Tols plannen vielen in het water. Eind december 1953 sloten de deuren van zijn casino en het gonsde van de geruchten dat hij failliet zou zijn. Van Tol kon erom lachten: “Mijn bankrelatie zal u kunnen vertellen, dat ik voor een millioen goed ben.” Hij emigreerde naar Italië waar hij mei 1966 in Gargnano op zeventigjarige leeftijd onverwacht overleed aan een hartaanval. Hij werd begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Tekst: Erik Daams en Elisa Mutsaers